In de volgende periode werden de katholieken teruggedrongen in hun schuilkerkjes. Menig pakhuis in de steden
en menig boerderij in de dorpen heeft tot schuilkerk gediend. Het zou ons niet verwonderen, wanneer ook op
een of andere Schotense boerderij in die tijd in het geheim godsdienstoefeningen werden gehouden. De burg-erlijke Overheid trachtte dit te voorkomen door huiszoekingen te laten verrichten naar de z.g. schuilkerkjes.
Een dergelijke huiszoeking heeft ook in Schoten plaats gehad in 1644. Op bevel en aanschrijven van het Hof
van Holland heeft Andries Wiederhuysen, Baljuw van Brederode, op de 2e juli 1644, zich naar het dorp
Schoten begeven en daar ten overstaan en in tegenwoordigheid van P.S.Keyser, schout, en Jacob Pietersz en Jacob Jansen, bestuurders van het dorp al de plaatsen en woningen bezocht en doorzocht, waarvan men
enigszins kon vermoeden, dat daar op een of andere wijze oefeningen van de Roomse godsdienst zouden
gehouden worden. Volgens geruchten zou Jan Aelbertz. en Gijsbert Aernstz., hun woningen voor dit doel
beschikbaar hebben gesteld. Vandaar dat beide woningen nauwkeurig van onder tot boven en op alle plaatsen
werden doorzocht. Maar nergens werd iets gevonden wat maar enigszins op een kerk of altaar leek. Gedurende
de jaren dat de Katholieken niet meer geduld werden, hadden de katholieken het zwaar te verduren. In het geheim en soms oogluikend, voor grote sommen geld, toegelaten door de schout, konden de Katholieken spaarzaam hun godsdienstoefeningen houden. Maar aan deze benauwde tijd zou weer een eind komen.
Wanneer Napoleon heeft bepaald, dat geen enkele kerk overheersend mag zijn, dus vrijheid voor alle godsdiensten, durven de katholieken zich vrijer in het openbaar te laten gelden. Snel zullen de katholieken hun rechten proberen te herwinnen.
Met zekerheid kunnen wij vaststellen, dat de Katholieken van Schoten voor de grootste meerderheid de leer van de Hervorming hebben afgewezen en aan het Katholieke geloof zijn trouw gebleven. Een zeer sterk bewijs hiervoor is wel het feit, dat het dorp Schoten nooit een Protestants kerkgebouw heeft gehad.
Voordat we de vraag gaan beantwoorden, hoe het godsdienstig leven in Schoten in die tijd zich heeft ontwik-
keld, willen wij ons een beeld scheppen van de burgerlijke gemeente Schoten rondom het jaar 1800.
Wij moeten ons niet te veel voorstellen van het toenmalig dorp. Wij zullen een paar historieschrijvers aan het woord laten. Aan de hand van een kaartje, getekend door Engelsman in 1794, proberen wij ons een voorstelling van Schoten van ruim twee eeuwen geleden te maken. Het is de moeite waard dit kaartje met aandacht te bestu-
deren. Het lijkt ons, dat dit kaartje de situatie van Schoten goed weergeeft.
Zodra het voor de katholieken weer mogelijk was meer openlijk hun godsdienstoefeningen te houden in hun z.g. statiekerkjes, waren de Schotenaren aangewezen op de statie van Haarlem of op die van Velsen. In het begin hebben zij dus gedeeltelijk te Velsen en gedeeltelijk te Haarlem gekerkt, wat in geen geval naast de deur was. Wij vinden dit feit vermeld bij de schrijver van de 'Tegenwoordige Staat der Verenigde Nederlanden' Op den duur zou deze toestand niet vol te houden zijn en deed de behoefte aan een bijkerk zich steeds sterker voelen.
Op welk tijdstip is de stichting van een bijkerk te Schoten een feit geworden? Hieromtrent verkeren
wij in het onzekere. Met zekerheid kunnen wij echter vaststellen, dat de bijkerk er vóór 1810 was, zoals blijkt uit een verzoekschrift van de katholieken te Wijk aan Zee aan de Koning, waarin melding wordt
gemaakt over het feit, dat de pastoor van Velsen-Driehuis belast is met de zorg over de bijkerk te Schoten door zijn kapelaan.
Bovendien bezitten wij hiervoor een doorslaand bewijs in een document de uit het parochiearchief. Het stuk, dat een getuigschrift is van een schenking, stamt uit het jaar 1810 en is het oudste document van het archief.

Wij zien dus uit dit stuk, dat er in 1810 te Schoten een kerkje was met zelfs een paar kerkmeesters.
En dan is er nog een verhaal van 8 november 1810. Ene Elisabeth Dreger vermaakt de helft van haar bezit aan
myne Dienstmaagd Geertruy Daalmolen zo lang zy leevd;
daarna echter moet dat bezit naar het Comptoir van Bloemaart te Haarlem, die de opbrengst bij toerbeurt aan één van de parochies in de stad moet uitkeren. Van dat geld echter moest
twaalf Gulden worden uitbetaald aan den Pastoor voor een jaargetyde en nog 2 diensten en aan de Cappellaan vier gulden voor dezelfde diensten.
Tot op de dag van vandaag ontvangt de parochie van Oud-Schoten eens in de zoveel jaar een bedragje uit die nalatenschap!
Ja, zelfs meen ik te mogen beweren, dat reeds lang vóór 1800 een bijkerkje bestond; want op een kaart van Engelsman, die 1794 werd uitgegeven, komt een R.K. kerk voor, zodat het ons niet zou verwonderen, wanneer omstreeks 1750 dit kerkje reeds bestond.
Het zal niet iedereen bekend zijn, waar dit kerkje gestaan heeft. Het heeft gestaan aan het Schotervoetpad nabij de Jan Gijzenvaart, waar thans nog de dubbele woning van Termetz en Smit staat. De muren van dit huis zijn nog die van het vroegere bijkerkje. Joop de Ridder vertelt hierover: Het armoedig bouwsel dat ooit schuilkerk was geweest, was een gammel en onaantrekkelijk bouwsel, waarvan tot in de veertiger jaren van de 20e eeuw een restant nog te zien was. Deze stond iets ten noorden van de kwakel over de Jan Gijzenvaart en wel ongeveer op de plek van een forse boom, die nog voor het gebouw De Gentiaan het Flevoplein siert.
In een brief van de bisschop aan pastoor Schuurkamp van 16 oktober 1858 vind ik een sterke aanwijzing, dat het kerkje niet als nieuw gebouw is opgetrokken, maar zoals de bisschop zegt, "van oorsprong en vorm 'n stal of schuur was". Het zou mij niet bevreemden, wanneer het bijkerkje gegroeid is uit een schuilkerkje. In ieder geval zal het klein en eenvoudig geweest zijn. Pastoor van Gastel schreef op 26 januari 1849 in zijn brief aan de deken o.a.
Bij mijne komst alhier op den 8sten Maart 1844 vond ik niets dan een geringe beestenstal, en een vertrekje met rode stenen om te bouwen; het bijkerkje was in een treurige staat en nog aan alles was behoefte; ik trachten alles, zoo veel in mijn vermogen was, te verbeteren; maakte een nieuw reglement voor de plaatsen met verhoging van contributie; hernieuwde de stoelen; plaatste voor eigen kosten een predikstoel; zorgde bijzonder voor kerkornamenten, fraaie zilver ciborium en misgewaad; bouwde diezelfden zomer het reeds aangenomen Pastoriehuisje, en bezuinigde en bespaarde van dien tijd alles om de aannemingsom groot circa f 3000, -, waarvoor gene gelden voorhanden waren, slechts een lijfrente van f 800, - tegen 5% te voldoen; in het verschenen jaar heb ik deze aannemingssom reeds afgedaan; het kerkje en huisje op het open veld gelegen moest omheind en enigszins afgeschut worden; dit bracht mij in de noodzakelijkheid om eene onkosten te maken van ruim fl. 3000,00 dit heb ik uit mijn privé beurs betaald, aangezien én gemeente én kerkenkas hiertoe onvermogend waren.
Met dit alles is nog niet in de noodzakelijke behoefte van kerk en pastoriehuis voorzien geworden; de kerk is veel te klein voor een gemeente van 500 communicanten, daarbij is zij bouwvallig, het belendende boerenhuis hebben wij deze winter met balken moeten ondersteunen.
Het wekt misschien bevreemding, dat dit kerkje niet in het centrum van het dorp stond, maar aan het Schoter Voetpad. Vermoedelijk hebben de volgende motieven een rol gespeeld. Op de eerste plaats moest er rekening gehouden worden met de bewoners van de Jan Gijzenvaart; langs deze vaart bevonden zich talrijke wasserijen en blekerijen, waar de vuile was uit de grote steden werd gereinigd, vandaar dat op deze vaart een druk verkeer van wasgoederen via het Spaarne naar de grote steden werd onderhouden. Om de katholieken uit de omgeving van de Jan Gijzenvaart te gerieven, had men het kerkje enigszins in de richting van deze buurt opgericht. Vervolgens was het Schotervoetpad een druk bewoonde weg, die rechtstreeks verbinding had met Santpoort en dus gemakkelijk te bereiken voor de dienstdoende priester uit Velzen. In dit verband moeten wij opmerken, dat in die tijd de Rijksstraatweg nog niet was aangelegd.
In 1832 vinden wij het eerste bericht, waarin gesproken wordt over een mogelijke toekomstige zelfstandig worden van de bijkerk. Uit een schrijven van deken Thomas blijkt, dat het plan was opgeworpen om de bijkerk van de moederkerk te Velsen-Driehuis af te scheiden. De deken had de kwestie bekeken en kwam tot de volgende conclusie; gezien het land- en geldbezit van de bijkerk een jaarlijks bedrag van 144 gulden rente oplevert, meent hij:
1) dat Schoten niet tot een zelfstandige statie kan worden opgericht, wanneer niet
Velserend een gedeelte van de Jan Gijzenvaart bij Schoten worden gevoegd, wat
heel gevoegelijk kan.
2) dat, wanneer op deze wijze Schoten van Velzen wordt afgescheiden, beide staties
standplaatsen voor een eerste benoeming worden, en dan kan Velzen geen
kapelaan meer onderhouden.
3) dat de gezondheid van pastoor Sachs van dien aard is, dat hij zonder kapelaan zijn
functie niet kan vervullen.
4) dat het om verschillende redenen niet gewenst is aan pastoor Sachs een andere
standplaats te
De deken besluit met de raad om alles voorlopig zo te schikken en te regelen, dat op een later meer geschikt ogenblik de scheiding zou doorgevoerd kunnen worden. Hij was van mening, dat pastoor Sachs wegens zijn zwakte wel spoedig ontslag zou nemen. Maar de deken had zich vergist; pastoor Sachs bleek taaier te zijn dan uiterlijk wel scheen. Het zou nog vijf jaar duren, voordat de statie van Velsen open kwam en zolang zou de kwestie van de afscheiding onaangeroerd blijven.
In 1835 werd er een kasboek aangelegd. Uit deze gegevens, kan men heel wat bijzonderheden opdiepen. Zo weten wij dat pastoor Sachs tot 1837 zijn functie als herder te Velsen heeft uitgeoefend en werd opgevolgd door pastoor Van Leeuwen. Onder het pastoraat van Van Leeuwen worden een drietal kerkmeesters genoemd, n.l. G.Schrama, R. Nelis en P. van Schie, waaruit blijkt dat de bijkerk een zekere zelfstandigheid bezat. Dit laatste blijkt eveneens uit eigen land en geldbezit. Wij vinden verder traktementen vermeld voor de organist, G.Spanjaard en de orgeltrapper, J. v.d. Raad, dus blijkbaar had de bijkerk een behoorlijke kerkorgel. De rekening van 1837 vermeldt een uitgave voor de aankoop van een wagen; de dienstdoende priester uit Velsen bediende zich dus van paard en wagen.
Ook in 1837 werd al eens een poging ondernomen om een parochie in Schoten op te richten maar dat mislukte. In 1842 nog merkte de Aartspriester op, dat Schoten eigenlijk een eigen Statie zou dienen te worden. Omdat echter veel Schotenaren naar de dichterbij gelegen kerk in Haarlem trekken is dat toch te moeilijk. Maar het begint dan toch te gloren.
Het zal echter niet lang meer duren of het plan van afscheiding zal vastere vorm aannemen. Op een los velletje uit het archief van de parochie Velsen, waarop een notulen, lees ik de mededeling, dat A. de Poorter, als deservitor werd aangesteld en die krijgt opdracht een eenvoudig Pastorietje te stichten, met véél nadruk op dat tje
Inderdaad blijkt De Poorter de man te zijn, die met de uitvoering van dit plan een begin zal maken. Met ijver heeft hij de zaak aangepakt. Hij trok er op uit om geld in te zamelen. Uit een brief van de deken aan de Aartspriester, gedateerd maandag 9 oktober 1843, blijkt, dat er spontaan werd ingetekend voor een bedrag van
fl 1289,80. Het plan om de Jan Gijzenvaart en het gedeelte dat het dichtst aan Haarlem grenst, bij Schoten te voegen, werd door de gemeente bijzonder welkom geheten en men sprak de wens uit, dat De Poorter eens als pastoor in hun midden zou geplaatst worden. Deze was inmiddels begonnen een plan te maken voor een pastoorswoning. Hij had reeds de bomen, die daarvoor in de weg stonden, laten rooien. Tegelijk wilde hij het kerkje een weinig uitbreiden. Een tekening van dit plan werd bij de Aartspriester ter goedkeuring ingezonden Wanneer deze goedkeuring verkregen was, zou hij voor de winter nog tot de uitvoering willen overgaan, en hij had de hoop, dat het werk in mei gereed zou zijn, ook al zou de vorst misschien het werk belemmeren. Hij wilde zelfs, wanneer het niet anders kon, bij één van de parochianen in de kost gaan.
Het zag er naar uit, dat De Poorter de eerste pastoor van Schoten zou worden, maar de Overheid had echter andere plannen met hem. Men had hem tot professor benoemd in Warmond.
In een brief van 21 februari 1844 had hij een omschrijving van de toekomstige grenzen van de nieuwe parochie ingezonden. In dat zelfde schrijven liet hij uitkomen, dat hij niet geestdriftig gestemd was over de benoeming tot professor, maar hij zou zich er bij leggen.
In een brief van 1 maart 1844 aan de Vice-Superior, droeg Aartspriester Kervel enige benoemingen voor, o.a. zal Nicolaas van Gastel begin maart naar Velsen vertrekken onder de titel van deservitor van de bijkerk te Schoten, totdat de afscheiding door de landsregering is goedgekeurd. De intocht zou niet geestdriftig geweest zijn; het kerkje in vervallen toestand, de pastorie ontbrak nog, hij moest zich voorlopig tevreden stellen met een armoedig vertrekje.
In een brief van de Aartspriester Kervel wordt bekend gemaakt:
Ten gevolge van het ontwerp der scheiding tussen de Gemeente van Velsen en Schoten in twee afzonderlijke statiën en parochiën, is het nodig, dat u bekend gemaakt wordt met de daarmede verbonden scheiding van het Pastorieel rechtsgebied, dat door de geestelijke Overheid verlangd wordt; en waarmede de waarneming van de Paasplicht, het dopen, trouwen, bedienen en uitvaart houden verbonden zijn.
De Gemeente van Schoten zal dan zich uitstrekken over het geheel burgerlijk rechtsgebied van Schoten, en over het overige gedeelte van de Jan Gijzenvaart tot het einde, waar dezelve bij het duin te niet loopt; daaronder begrepen alle huizen, welke zich ter wederzijde bevinden langs de straatweg van Bloemendaal naar Santpoort namelijk over de Noodweg op de Molenduin, tot op het Netelbos dwars over de Noodweg op de Krullenweg beide van de Noodweg en Krullenweg in een rechtse richting door de landerijen tot aan de rivier de Delft.
De Aartspriester van Holland, Zeeland en Westvriesland.
P.A.Kervel
Hiermee is in grote lijnen het grondgebied van de toekomstige statie uitgetekend.
Ondertussen gingen timmerman en metselaar aan
de slag om een passende woning, volgens de
tekening van De Poorter, op te trekken.
Vermoedelijk heeft Van Gastel in de eerste tijd
bij één van de parochianen onderdak gevonden.
Officieel bezat Van Gastel nog geen pastoors-
rechten, doch praktisch oefende hij deze rechten
al uit, voordat de feitelijke oprichting tot stand
kwam. Zo stelde hij een vierde kerkmeester aan,
n.l. de heer J.Klauwers. Hij zorgde voor een
doopgelegenheid in de kerk; het eerste doopje
was Nicolaas van de Raat. Zonder twijfel heeft
Pastoor Van Gastel omwille van de eerste
dopeling aan deze zijn naam opgelegd en over
hem het peterschap op zich genomen.
De stichting van zo'n nieuwe parochie behoefde in die jaren ook nog de koninklijke goedkeuring.
Op 14 juni 1844 kwam de koninklijke goedkeuring los, waarin werd bepaald:
1 Verlof tot het stichten van een nieuwe parochie te Schoten met een eigen kerkbestuur.
2 De jaarlijkse rijkstoelage van 300 gulden, die tot dan toe bestemd was voor den kapelaan van Velzen-
Driehuis, belast met de bediening van de bijkerk te Schoten,wordt ingetrokken en zal vooraan aan den
pastoor van Schoten verstrekt worden.
Nu de landsregering haar goedkeuring had gegeven, zou de officiële oprichting niet lang meer op zich laten wachten. De feitelijke geboortedag van de parochie Schoten is dan ook op 26 juni 1844 gesteld: want op die datum staat de officiële oprichtingssaté gedateerd.
Bijdrage Bisdom Haarlem, 24ste deel, blz. 168
Bijdrage Bisdom Haarlem, 23ste deel, blz.14 3 dan volgen onleesbare woorden
F. V.d. Burg, Van dorpsstatie tot Stadsparochie in Schoten, blz.30
Joop de Ridder, 150 jaar een parochie in Schoten, blz. 10
Fr van der Burg, Van dorpsstatie tot Stadsparochie, blz.31
Fr van der Burg, 1944
1994
Multifunctioneel centrum
Fr van der Burg, Van dorpsstatie tot Stadsparochie, blz 31
Archief Bisdom Haarlem
Archief Bisdom Haarlem
Deservitor is een priester die, in dit geval, de oprichting moest voorbereiden
Bron: Verdwenen maar niet vergeten, deel.2
Theo Kooijman